Column

Eenmaal begonnen.
‘Ik wil graag elektrische veters’ besloot mijn dochter onlangs toen ze zichzelf in de knoop had gelegd in plaats van haar veters. In een documentaire over design op Netflix, kwamen deze schoenen voorbij. Het idee was al jaren terug bedacht en recent hebben ze ze daadwerkelijk gemaakt, gewoon omdat het nu kon. Naast de veters leken mij elektrische schoenen ook een goed idee. We hebben immers elektrische auto’s, steps en fietsen. En als er iemand veel last heeft van tegenwind, dan is het een beginnend hardloopster.

Om een of andere onbekende reden heb ik, elke keer wanneer ik opnieuw begin met hardlopen, tegenwind. Niet een beetje tegenwind. Geen lekker zuchtje waardoor je wat afkoelt. Nee, ik heb het over helse windhozen. Die je terug naar achteren duwen, met geweld. Vlagen wind die tussen gebouwen door blazen op zoek naar scharminkels op hardloopschoenen, om ze opzij te werpen. Ik lag bijna op mijn rug.
In het jaar 2014 begon ik met hardlopen. Ik ontmoette Evi, een Belgische met popcasts, en zij loodste me 30 sessies door en 5 kilometer verder. Warempel, met Evi kon ik wel rustig aan doen. Ze sprak gemoedelijk en opbeurend. Veelal wist ze ook wanneer ik een compliment of wat afleiding kon gebruiken. Evi was zo motiverend dat ik de tien kilometer liep en vervolgens de vijftien. En toen werd ik zwanger.
Moddervet ook; ‘zelfs je hoofd’ zei een collega tegen mij. Ze had gelijk, 15 kilo eraan. Bij de vorige was het zeventien dus ik was best tevreden. Opnieuw zocht ik Evi op en daar gingen we weer. Omdat ik wist dat ik het eerder had gedaan, moest de tien kilometer haalbaar zijn. Tot ik werd aangereden. Totale chaos en geen kilometer vooruit te branden. Opnieuw. ‘Hallo, daar gaan we weer’ sprak ze hoopvol. De hoop rende harder dan ik. In 2018 wisten we elkaar weer te vinden maar verloren we elkaar even snel.
En nu, eind 2019 zocht ik mijn oude vriendin op. Met mijn Samsung sport horloge om mijn pols in plaats van een enorme telefoon ergens tegen mijn lijf geplakt. Maar terwijl mijn voeten bevroren en ook de wind me probeerde tegen te houden, bleef mijn horloge aangeven dat ik het tempo van een bejaarde had. De schok was groot kan ik je vertellen. Hoe was het mogelijk dat ik van gemiddeld 10.8 km per uur naar 6.5 ging? De moed zonk in mijn schoenen. Elke keer weer, weer opnieuw beginnen met lopen, weer stap voor stap en nog helemaal af zijn aan het eind, ik was het zat. Zeker nu ik mezelf zag sjokken over we weg, niet om aan te gluren.
Na mijn laatste trage rondje overdacht ik redenen om ermee te stoppen. Erger, ik begon redenen te bedenken waarom ik een enorme loser was wie het toch nooit meer zou gaan lukken om de vijftien te lopen. Het enige wat me dwars zat was: dat ik dacht dat het laatste rondje wat ik had gelopen vijf kilometer was in plaats van die drie die mijn horloge aangaf. Dus besloot ik vandaag om mijn telefoon mee te nemen en dezelfde ronde nogmaals te lopen. En als het inderdaad zo was dat ik al die jaren drie kilometer had gerend terwijl ik dacht dat het er vijf waren, was alles een grote illusie geweest. Dat zou een uitstekende reden zijn om te stoppen. Ik deed de deur open, rende naar buiten en zodra ik de hoek omging ving de wind mij. Dat was de druppel.
Het vervelende van druppels is dat ik weiger om mezelf af te laten voeren. En zie hier de reden om weer te beginnen en voor altijd – als het nodig is- opnieuw te proberen. De hele rit droomde ik niet eens over elektrische schoenen terwijl ik de windhozen trotseerde. Ik had een plan namelijk bewijzen dat mijn horloge het al die tijd verkeerd had.
Natuurlijk had ik gelijk! Allicht rende ik niet zo traag als mijn smartwatch registreerde; wie is er nu gek? Zucht. Donderdag ren ik weer en zaterdag ook.

Moraal van het verhaal: je hebt er helemaal niets aan om enkel te zien wat niet lukt want je kunt pas mopperen als je het geprobeerd hebt. En als je het eenmaal hebt geprobeerd, dan kun je het gerust nog een keer doen. Net zo lang, al duurt het jaren, tot het lukt. Net als met die elektrische veters. Op een dag zijn er ook elektrische schoenen, maar dan heb ik ze al lang niet meer nodig.

#10122019

Zelfs kerstmuziek kan je dag maken.
Als het leven je zure appels brengt, kun je er maar beter rap doorheen bijten. We hebben allemaal wel eens een baaldag, dat het even niet mee zit, een dag waarop je liever in je bed had willen liggen. Weg van alles, weg van mensen, weg van de wereld. Simpelweg even op pauze drukken. ‘Dikke doei, dag, tot ziens.’ Er zijn tal van dagen geweest waarop ik daadwerkelijk mijn snor drukte. Tot ik ontdekte dat wanneer alles bar en boos is, je ervoor kunt zorgen dat het leuker wordt.
Simpeler gezegd dan gedaan, dat is waar. Maar in het najagen van grote waardevolle momenten met geliefden, het hard werken voor betekenisvolle mijlpalen op het werk of elke maand een lot kopen in afwachting van de dag dat je never nooit meer hoeft te werken, mis je een aanzienlijke hoop memorabele momenten. Natuurlijk lijken ze vrijwel allen vanzelfsprekend, tot we even stil staan bij hoe uniek ze eigenlijk zijn.
Laten we beginnen met een van mijn eigen favorieten, kerstmuziek. Het is niet noodzakelijk om tot eind november te wachten totdat je eindelijk Sky Radio aan kunt zetten. We hebben YouTube. Over YouTube gesproken, de mooiste avonden zijn die waarop je om de beurt je favoriete muziek uitkiest. Veelal liedjes van toen en ooit, met herinneringen eraan vast gebonden die je hart direct verwarmen.
Daarbij ken je vast de dagen waarop je niet op temperatuur komt. De dagen dat je net te moe bent of het weer simpelweg tegenzit, je de verkeerde kleding hebt uitgekozen of te lang buiten hebt moeten wachten. Zo’n dag dat je onder de douche stapt en er geen zak mee opschiet. Je huid pijn doet van de warmte en je afdruipt, terug te kou in. Deze dagen onthoud je. En je vergeet de dagen waarop je comfortabel warm bent. Ha, nee we gaan die dagen niet afserveren als ‘gewoon’, ‘onzin’ of jezelf wijsmaken dat ik nu allerlei onzinnige waardevolle situaties uit kies die nergens op slaan. Een dag waarop je comfortabel warm in je eigen velletje zit, die zijn te prijzen. Te waarderen en ze gaan te vaak voorbij zonder dat we het doorhebben.
Net als de dagen waarop je uitgerust wakker wordt en fit de dag begint. Zeker als je net als ik kinderen hebt, is het absoluut en verre vanzelfsprekend dat je wakker wordt wanneer jouw biologische klok aangeeft dat het tijd is. Dus als je gewekt wordt omdat de wekker van een ander op tilt slaat om 6 uur in de ochtend en je niet denkt ‘hamer mij maar neer’, dan zijn dat momenten voor een vreugdedans. Evenals wanneer de lente in de lucht komt na een kansloze herfst die geen plek heeft gemaakt voor de winter.
Ook de dagen waarop je thuis bent en de hond van de buren stil is, in tegenstelling tot alle andere dagen; zijn te prijzen. Het vergeten van je sokken, een schooltas en je portemonnee maar niet je huissleutels; handjes in de lucht en dank het universum.
Zo ook wanneer je avondeten na een dag werken wordt klaar gemaakt door de liefde van je leven. Je kunt denken dat het erbij hoort. Nope, vergeet het. Wees blij en dankbaar dat jouw liefde kan koken en dat ook nog eens voor je doet. Ja, uiteraard ook voor zichzelf. We willen ook niet dat hij omkomt van de honger, is het wel?
Tot slot, met zekerheid in de top 10 van vrijwel iedereen: Midden in de nacht uitgerust wakker worden en zien dat je nog uren aan slaap voor je hebt. We houden er allemaal van, geef maar toe. En bovenal wanneer je net als ik een brein hebt wat weigert stilt te staan maar dat op zo’n moment wel kan.
Over breinen gesproken, het is een merkwaardig deel van ons lichaam. Waar we enerzijds invloed op hebben en anderzijds totaal niet. We kunnen er niet eens aan krabben als we jeuk hebben. Iedereen die een tikkie tegen een lichaamsdeel heeft aangekregen, koestert het geheelde ledemaat meer dan daarvoor. Een niet functionerend lichaamsdeel is alleszins leuk en ontspannen. Het gaf mij echter wel de kans om te ontdekken dat het tot meer in staat is dan ik in eerste instantie dacht. Maar daarvoor moest ik wel het plezier gaan vinden in het ontdekken daarvan, hoe stom dat in beginsel ook was.

#09122019

Een kind van haar moeder.

Het waardeloze aan ouderschap is dat er momenten zijn dat je denkt dat je er niets van bakt. Of zelfs terecht komt in situaties waarin je daadwerkelijk de plank royaal mis slaat. Waarna je later, of vlak na het mis meppen, denkt: “Dit had ik beter kunnen doen.” Met een beetje zelfliefde spreek je jezelf aan met de boodschap wat je -anders- had kunnen doen. Desondanks, ouderschap is soms gewoon ruk.

Dat komt natuurlijk omdat je je best doet. Niemand heeft het plan om een waardeloze ouder te zijn. Er zijn geen ouders die voor de conceptie of vlak er na denken ‘zo dit jong, daar ga ik eens een flinke miskleun van maken’. Iedereen doet zijn best, de een wat beter dan de ander, okay dat is waar. En veelal is het ‘de ander’ die het wel een beetje beter zou mogen doen. Tot je met je eigen moeizame opvoedingskeuzes wordt geconfronteerd.
Zo wist ik vanmorgen dat het een zinloze handeling was om kleding klaar te leggen voor mijn dochter. Maar ik deed het toch en terwijl ik het deed, sprak een wijze stem in mij dat dit maar een resultaat kon gaan hebben; totale muiterij. En zo geschiede.
Met het gegil en theatraal gesnik door de emotionele kindermishandeling van haar moeder zat mijn zesjarige onder haar bed in haar tent. Later zou ze vertellen dat ze echt wel boos was, maar furieus werd toen haar driejarige broer zijn tong naar haar uitstak.
Na enkele minuten negeren van mijn zijde en nog wat theater van haar, besloot ze op mijn bed te gaan zitten. “Mama ik wil die kleren niet aan. Ik dacht dat ik die broek mooi vond toen we hem kochten, maar nu vind ik hem lelijk.” Later wordt ze advocate denk ik, gespecialiseerd in het milieu en dierenleed. Zelf denkt ze dat ze paardentrainster wordt, mogelijk in een circus.
Ik zucht want dit is niet het eerste kledingstuk dat haar goedkeuring verliest. En naar verloop van tijd en vakkundig negeren langdurig onderin de kast beland. We rijden regelmatig kleding naar de container van het Rode Kruis en ik koop bij voorkeur niet meer dan nodig is. Alleen altijd dezelfde kleding aan, gaat me dan net wat te ver. Het past niet in het beeld dat ik wel de moeder wil zijn die ervoor zorgt dat haar spruiten er gezellig bij lopen. Daarbij wil ik ook niet dat anderen denken dat ik de boel verwaarloos.
We spreken af dat zij haar shirt uit mag kiezen maar de broek met de ruitjes wel de broek is die ze vandaag aantrekt. We vinden elkaar in het midden. Beiden houden we van rechtvaardigheid. Evenals van je eigen kleding uitkiezen, zelfs als je moeder denkt dat je erbij loopt als een clown. We houden ook van zelf bepalen wanneer je eet, waar je eet en hoe je eet. We verkiezen de vrijheid om alles in huis te gebruikten ten gunste van je eigen creativiteit. En we hebben een voorliefde voor nuttige rommel, waarin je lekker kunt verdwalen. Tegelijkertijd houden we ook van rigoureus opruimen en de paar overgebleven spullen netjes gerangschikt in de lade van je bureau leggen. Daarbij niet beseffen dat met het dichtduwen van de lade, al je kostbaarheden aan de andere kant ervan belanden. Maar dat is een detail, daar houden we niet van. Ze lijkt op mij en wanneer ik onbewust opmerk dat zij de dingen doet zoals ik ze doe, dan keer ik me tegen haar.

Het is een opmerkelijk verschijnsel dat je als ouder iets anders van je kind wil maken, dan wat er genetisch in zit. Omdat je er opvoedkundig ideeën op na houdt, hebt aangeleerd of voorgeschoteld hebt gekregen. Of je eigen ervaringen harde leerscholen waren en je je kind ervoor wilt behoeden. Ouderschap voelt als de taak van je leven en opvoederschap is een moeizame deeltaak die daar aan vast hangt.
Pas wanneer ik met een afstandje kijk naar de zesjarige, met losse haren tot over haar billen, die op sokken huppelt zodra ze zich ook maar een beetje thuisvoelt, overvalt het me. De gedachte dat ik precies zo was en bovenal dankbaar ben dat mijn ouders mij zo vrij hebben gelaten, ondanks ik zeker weet dat ze hebben geprobeerd om er wat anders van te maken.

#06122019

Bij een kopje hoort een schoteltje.
Ze zeggen: “Dat je pas weet wat je mist, als het er niet meer is”. Zo wist ik, met haar overlijden, dat ik nooit meer de eerste oliebol uit het vet zou eten aan de ronde keukentafel in haar keuken. De grijze keuken waar ze het water uit de fluitketel in het koffiefilter schonk nadat ze de kopjes met schoteltje had klaar gezet. “Bij een kopje hoort een schoteltje” zei ze stellig als ik zei dat ik enkel het kopje nodig had. Ik mis haar.
Met het ouder worden namen we geleidelijk afscheid van avonden vol pakjes en feest. Geen slaapjes na de oliebollen en voor het vuurwerk, de huzarensalades en bapao. Op enig moment hoefde ze ook geen rommelmarkt meer af te struinen voor nieuwe konijnenkooien of hamsterhuizen. Het was prima om in je puberteit geld voor je verjaardag te krijgen in plaats van een cadeau. Met het ouder worden ontstond er wat meer afstand, wat natuurlijk voelde. Tot er achterkleinkinderen geboren werden en ze vol trots het oude speelgoed van boven haalde.
Ze werd ziek. Almaar zieker, herstelde wonderbaarlijk – hoewel het voor haar geen wonder was – en uiteindelijk werd ze terminaal. We kamden haar haren, knipten haar nagels. En geloof me als ik je zeg dat ik dat bij niemand wens te doen, op mijn kinderen na.
Op de avond dat we gedag zeiden stonden we rond haar bed. Mijn nichtje en ik trokken haar een nieuw nachthemd aan. We zeiden ‘tot ziens’ en mijn vader suste haar gemoedelijk terwijl ze de dood tegemoet trad. Allen waren we daar om de kaarsjes aan te steken voordat ze voor altijd onder de lavendel begraven zou worden. Ik mis haar.
Ze spon onzichtbare draden tussen ons allen. De een wat strakker, de ander iets losser. In de jaren bouwde ze zorgvuldig een web en ze zorgde ervoor dat we ons met elkaar verbonden voelden. Maar draden breken, er valt stof op en als er geen herstelwerk plaats vindt of met spoed een nieuw draad wordt gespannen, valt het web uit elkaar. Het lijkt of we allen een nieuw evenwicht moeten vinden. Ze zeggen: “Je weet pas wat je mist, als het er niet meer is”.
Ik realiseer me ‘wanneer het er niet meer is, je pas weet wat je hebt gemist.’
Het waren niet enkel de onzichtbare draden of de gastvrijheid. Je kunt enkel draden spinnen en jezelf met anderen verbinden wanneer je aan de ander hecht. Het zorgdragen voor die draden vraagt onvoorwaardelijkheid. Ervoor zorgen dat de ander zich altijd welkom voelt, ondanks diegene al maanden niet is geweest, vraagt onvoorwaardelijkheid. De keuze maken om er altijd te zijn vraagt; onvoorwaardelijkheid. Het negeren van tegenstellingen, stilzwijgen van pijn of verdriet en het mopperen op de buitenwereld hield blijkbaar iedereen bijeen. De familie, haar kinderen, stonden voor haar – desnoods met een oogklep op – onvoorwaardelijk op een. Ik mis haar.
“Bij een kopje hoort een schoteltje”. Het Zeeuwse meisje hoorde bij jongen uit Indonesië. Ondanks de trauma’s en de pijn die met die overtocht mee kwamen en de worstelingen waar ze samen voor stonden. Zij vocht onvoorwaardelijk voor haar liefdes; zij was het schoteltje waardoor een kopje stevig staat.

#05122019

5 December.
“Sorry” is het meest makkelijke en tegelijkertijd het meest moeilijke woord om uit te spreken. “Sor-ry” met puppy ogen als je stiekem de laatste koek uit de trommel jat voordat de ander het doorheeft. Een ferme “sorry” wanneer je bij de supermarkt gehaast wat uit de koeling wilt halen terwijl iemand voor je niet weet wat te kiezen. Of de “sorry” in combinatie met “het spijt me”. Die krijgen we die aanzien lastiger ons strot uit. Zeker wanneer het zaken betreft waar je absoluut excuses voor moet maken.
Morgen wordt mijn opa 87 jaar en vieren we feest. Opa is jarig op dezelfde dag als Sinterklaas. We hebben het feest van de witte man en de bruine man. Ik mag er grapjes over maken, want ik ben zelf ook bruin. Of in ieder geval, mijn vader is bruin. Mijn broer is bruiner dan ik ben. Mijn zoon vindt zichzelf wit naast een vriendje die bruiner is. En mijn dochter heeft een bruine Baby Born Annabel en die heeft dan weer dezelfde kleur als opa.
Hij was zeventien jaar toen hij met de boot vanuit Indonesië naar Nederland kwam en mijn wonderschone knappe Zeeuwse oma leerde kennen. Het was liefde op het eerste gezicht en deze romantiek werd bezegeld met zes kinderen waaruit 14 kleinkinderen werden getoverd. De ene bruiner dan de ander. De ander blonder. Het maakt geen barst uit in onze familie welke kleur je hebt want wij zijn familie. De buitenwereld denkt er echter anders over. Of beter gezegd, zij zien mij als “anders”. En niet enkel omdat ik een maf karakter heb, die zal ik vast voor je voeten wegmaaien.
Sinds ik mij kan heugen ben ik “anders” en ik heb er nooit wat van begrepen. Als ik doorvroeg naar wat er dan precies “anders” was, bleef het stil. In de bus werd ik aangezien voor Marokkaans, Afghaans, Spaans, Frans en zelfs ooit voor een Russische. Maar die knul was dronken.
Het maakt me op zich niet zo uit dat ik “anders” ben, het maakt me wel uit dat het me beïnvloed. Want als je buiten het “normale” kukelt, waar hoor je dan bij? Niemand vertelt je bij het plakken van het label, in welke categorie je dan terecht komt. Daarbij wist ik op enig moment ook niet meer bij wie ik hoor. We spreken geen Maleis maar ik zie er ook niet uit als een Hollander.
Je kunt me van alles wijsmaken behalve dat mensen niet bij anderen willen horen. Jij wilt bij mensen horen en ik wil dat ook. En bij voorkeur bij een grotere groep dan mijn eigen familie. Zo wil ik ook samen met andere mensen Sinterklaas vieren op de dag van mijn opa’s verjaardag. En een feestje vier je zonder ruzie te maken.
Het was terecht geweest als iemand ooit “sorry” had gezegd tegen mijn opa. Maar tegenwoordig besef ik me op 5 december dat “sorry het spijt me” net als “sorry, vergeef me” voor veel mensen onmogelijke zinnen zijn om uit te spreken. Wellicht omdat ze eigen pijn niet kunnen voelen en andermans pijn niet kunnen zien. Blijkbaar zijn we vergeten dat we ooit, toen we nog kinderen waren, nog een “sorry” kenden namelijk de “Sorry, ik zal het nooit meer doen, kunnen we nu weer samen spelen?”

#04122019

Terwijl ik nukkig een cappuccino drink, wordt er een meisje uitgehuwelijkt.
Tussen ons gezegd, ik heb een bloedhekel aan recyclen. Elke maandag krijg ik een push bericht van de gemeente met daarin de mededeling welke container naar buiten moet; blauw, groen of grijs. Laten we de oranje zak voor plastic niet vergeten. Eens in de zoveel tijd zakt de moed in mijn schoenen en wil ik niets liever dan alles in een bak neer kwakken.
Op die momenten geloof er namelijk helemaal niks van dat mijn inzet ook maar enige bijdrage levert aan het grote milieuprobleem. Zo lang er een stel machtswellustelingen, die azen op geld, de macht hebben is mijn inzet als een druppel op een gloeiende plaat.
Elke keer wanneer ik een bak aan gescheiden afval buiten plaats of oude kleding aflever bij een container van het Rode Kruis, vuurt er iemand een raket af. Of loopt er een schip met olie leeg en plakken vogels aan elkaar. Sterker nog, enige tijd terug heeft iemand de container van het Rode Kruis gesloopt. Het maakt me moedeloos.
Zeker nu ik deze maand mijn huis moet leeghalen en ik van plan ben om de Marie Kondo methode erop los te laten. Nu ontdekte ik laatst wel dat ik oude apparaten bij de kinderboerderij kan achterlaten, wat natuurlijk een veel leuker uitstapje is dan naar de milieustraat. Desondanks baal ik er van.
En precies wanneer ik er de pest over in heb, omdat ik donderdag de milieustraat moet bezoeken, lees ik een artikel in de NRC Next. Door de stijgende zeespiegel en de gevolgen van hogere temperaturen loopt een deel van Bangladesh regelmatig onder water. Waar? Nee, we hebben het niet over Zeeland. Bangladesh. Dat is inderdaad een ver van mijn bed show. Ware het niet dat ik onlangs een ander verlichtend inzicht heb gekregen over iets wat zich eveneens niet vlak naast mijn bed afspeelde.
De hele campagne ‘stop met het eten van vlees want het is zielig voor dieren’ heeft jaren geen enkel effect op me gehad. Okay, ik verkrampte wel bij het zien van een vrachtwagen vol opeen gestapelde varkens of kippen. Echter verdween dat ongemak ongeveer even snel als de tijd die ik nodig had om de vrachtwagen te passeren. Maar na het zien van de Netflix Documentaire Game Changers, veranderde mijn hele blik op dierlijk voedsel. Bij de aanblik van ‘de bloedbuisjes’ heb ik even op pauze gedrukt, enkele minuten gekokhalsd en besloten dat ik een week veganistisch ging eten. Zo’n anderhalve week na aanvang van mijn avontuur las ik een artikel over het verdoven van vissen na de vangst.
In mijn beleving is het volslagen idioot om een verdovingsmachine te prijzen als je gewoon stopt met het fileren van levende vissen. Het gegeven dat ik kan stoppen met het eten van vis, betekent dat er geen enkele reden is om weer een haring in mijn mond te laten zakken. Daarbij sta ik namelijk nog prima op twee beentjes, heb ik genoeg energie en nu na twee maanden voel ik me nog steeds topfit.
Terug naar de NRC Next. De Chars wonen op zandplaten en dat is naast een rivier best een avontuurlijke plek om te wonen. Nu het water stijgt vindt er erosie plaats en moeten deze mensen voortdurend verhuizen. Ze verliezen alles wat ze hebben en trekken bij familie in, in afwachting tot het water zakt. Het effect van dit noodzakelijke nomade bestaan met enorme armoede is dat er onder de Chars veel kindbruiden zijn. Laat het even bezinken.
Dus doordat een stel mensen op deze aardbodem ervoor kiezen om het klimaatprobleem niet serieus te nemen en hun handelen aan te passen, worden er jaarlijks duizenden meisjes uitgehuwelijkt. Meisjes met de leeftijd van meisjes die hier in groep zeven ronddartelen. Allen worden ze uitgehuwelijkt en baren ze binnen korte tijd na het huwelijk een kind. Door het voortdurend kwijt raken van huis en haard, het gebrek aan voedsel en middelen, is een mond minder om te voeden de reden om haar in een schoonfamilie op te laten groeien.
Wederom gaat het argument op dat als je eenmaal een keuze hebt gemaakt om het juiste te doen, het idioot is om het tegenovergestelde te doen. Zo besluit ik boven mijn havermelk cappuccino dat ik donderdag samen met mijn zesjarige dochter naar de kinderboerderij ga. Vanaf vandaag zal ik elke keer dat ik mijn apparaten daar achterlaat, of die bak enkel al passeer, het besef koesteren dat ik de keuze maak om te recyclen. En voel ik me gezegend met de vrijheid die ik en mijn dochter hebben.

#03122019

Volgend jaar word ik 34.
‘Jij.’ ‘Nee jij.’
Een befaamd ochtend ritueel in menig huishouden, zo ook die van mij.
Dit keer zwicht ik voor het argument dat lief de rest van de week vroeg op moet en ik een maand lang driemaal per week de wekker uit kan zetten. De andere dagen moeten de kinderen namelijk wel op tijd ergens zijn.
2 December; dag 1 van een maand vrij. Het kan niet beter, zou je zeggen. Al heb ik zat te doen. Een verhuizing van 3 mensen naar een tijdelijke opslag, het slopen van een nieuwe woning, het fatsoenlijk achterlaten van de overvolle huidige woning en vervolgens – na Kerst en Sint stress- de verhuizing van 4 mensen inclusief mijzelf naar een tijdelijke Bed and Breakfast. Oh, en precies over een maand in de ochtend stipt op tijd aanvangen bij mijn nieuwe werkgever.
Dus zo beland ik als eerste onder de douche om de rest van de ochtend te werken aan een heel persoonlijk cadeau voor een dierbare collega die ook afscheid neemt. Het tweede wat ik op mijn eerste vrije dag doe is het schrijven en illustreren van een kort verhaal. Tussen een koffie en twee gemberthee, een stel bejaarden en Belgische ondernemers bij de plaatselijke La Place vraag ik me af wat precies de reden is dat dit, naast het als eerste douchen, het tweede is wat ik op mijn eerste vrije dag doe. Recent kwam er uit een ontwikkel assessment dat ik nogal hang aan wat anderen van mij vinden. Dus dat zou het kunnen zijn. Naast het gegeven dat ik graag mijn oud collega wat persoonlijks wil overhandigen, voel ik de nodige druk van andere collega’s die mij alleszins subtiel hebben uitgelegd dat de taak volledig op mijn schouders rust. Ik wil iedereen gelukkig maken, dat klinkt wel als ik.
Toch, kan ik me niet weerhouden om de gedachte uit te pluizen of ik schrijven en illustreren simpelweg het leukste vind wat er is. Dan is het, bijna vijf uur als een monnik werken op een houten stoel, volledig eigen belang en een daad van zelfliefde. Ik geniet ervan. Sterker nog, niks geen ADD trekjes die normaliter binnen 15 minuten in de kantoortuin de kop op steken. Geen wiebelende voeten, geen hang naar een wandeling, geen gebep of geouwehoer. Niks geen rondkijken, meeluisteren of dagdromen. Vijf uur lang ben ik in opperste concentratie.


Waarom heb ik er wederom voor gekozen om meer stabiliteit in een vaste baan te zoeken in plaats van mijn tijd te spenderen aan allerlei freelance klussen? Is dat omdat ik zo ontzettend bang ben om te falen. Nou, ik geniet ook wel heel erg van werken met mensen en hun problemen.
En binnen no time schiet ik in een ellendige spiraal van moeizame gedachten en ongemakkelijke gevoelens. Gedachten over waarom wel en waarom niet, het vast willen houden aan vastigheid en het niet willen grijpen van kansen die er wellicht zijn maar nog niet zichtbaar zijn. Zichtbaar zijn wel twee monden die gevoed moeten worden en het nieuwe dak van ons nieuwe huis.
Laat ik vandaag starten met dat wat ik vandaag graag doe en morgen zien wat er morgen te doen valt. In de tussentijd sta ik graag als eerste op, waarmee ik mijn lief enkele minuten langer een warm bed gun. En pak ik met liefde al het absoluut noodzakelijke speelgoed in voor bij de B&B. Allicht zorgt de Sint voor de cadeaus die ze echt echt maar dan ook echt heel graag willen. Het kerstfeest? Natuurlijk komt er een feest, met iedereen van wie we houden.
En met een beetje geluk is de maand zo voorbij en begint het nieuwe jaar weer. Wie weet word ik dit jaar een jaartje jonger, dat lijkt me een goed streven. Elk jaar een jaar jonger en een jaar minder verantwoordelijkheden. Behalve liefhebben. Want dat doe ik toch wel het aller aller liefste.

#02122019

De zoveelste misser.
Na de zoveelste grammaticale misser in een versje, zit ik in de tuin mijn gedachten te ordenen wanneer een quote van de Dalai Lama zich opdringt: “Wanneer je met een probleem wordt geconfronteerd, denk dan goed na. Als je het probleem kunt oplossen, los het op en dan heb je geen reden tot zorg. Als je het probleem niet kunt oplossen, maak je dan geen zorgen want je kunt het niet oplossen. Zorgen dienen geen enkel nut.” Een vrije vertaling van zijn visie.
Enkele minuten voor het moment van reflectie tussen de planten, wijst mijn vriend Eric – de man die ik altijd om hulp vraag en soms vergeet om hulp te vragen – mij op het verkeerd spellen van een -d en -t. Het moment dat Eric de moeite neemt om mij erop te wijzen, zak ik wederom door de grond. De avond ervoor had ik hem al een versje laten lezen omdat ik verdwaald raakte in het bos van d’s en t’s. In de afgelopen jaren dat ik dicht is het regelmatig voorgekomen dat ik Eric in paniek app. “Ziet er top uit” was zijn reactie. Het versje wat ik hem had gestuurd bleek grammaticaal te kloppen. Ik vergat hem echter de rest te sturen.
Sinds ik mij kan herinneren vergeet ik letters in woorden, wissel ik woorden met woorden om in mijn hoofd, verwijder ik woorden uit zinnen of zet ik er eentje bij. Ik heb nog nooit een boek gelezen zoals het geschreven is. En hoewel ik al ontelbaar vaak de -dt regels heb gelezen of heb opgezocht hoe ik een woord in een zin moet vervoegen, na het lezen is die kennis direct verloren. Er is geen enkele plek in mijn brein waar ik deze cruciale informatie opsla. Sterker nog, op de basisschool liep ik met de gedachte rond dat ik de letter -d vaak een mooiere afsluiter vind dat de letter -t. De -t geeft een open einde. Terwijl sommige woorden een afsluiter verdienen.
Ondanks het besef dat ik niks aan mijn brein en eigenwijsheid kan veranderen loop ik vast in overtuigingen. Steeds wanneer een lezer een schrijffout benoemt, vind ik het van belang dat ik de grammatica beheers. Zeker wanneer ik geschreven werk de wereld in stuur. Los van de angst die ik bij vrijwel elke versje voel, is schaamte – als blijkt dat ik het mis heb – geen goede vriendin van mij. Ze maakt het mij regelmatig zo ongemakkelijk dat er momenten zijn waarop ik denk: “Ik stop ermee! Ik zet mezelf voor gek.” Tot ik mij realiseer dat die gedachte pas echt een onmogelijke opdracht met zich mee brengt.
Op geen enkel moment wil ik stoppen met schrijven. Ik heb het altijd gedaan en de voorstelling dat ik niet verder ga, is een onmogelijke. Het schrijven van versjes met zo min mogelijk woorden is de perfecte combinatie tussen mijn liefde voor analoge fotografie en woorden. Namelijk het vangen in woorden – in een geschreven polaroid – van wat ik in beelden voor mij zie. De reacties op mijn versjes en de moeite die mensen nemen om mijn versje ergens in hun huis op te hangen, geeft mij zoveel plezier dat ik dat niet wil missen.
Tussen de planten zijn er twee overwegingen op dit relaas van zelfmedelijden:
– Ik stop met zorgen maken want dit probleem kan ik niet oplossen;
– Ik blijf mij zorgen maken terwijl ik het probleem wil oplossen en laat me leiden door angst, paniek en schaamte.
Allicht besluit ik dat de eerste optie de enige keuze is waar ik mee uit de voeten kan. En zoals altijd spant het universum zich in, om na een genomen besluit, de weg vrij te maken om dit besluit na te leven. Want vrijwel direct brengt mijn beste vriendin een nieuw inzicht op de foute grammatica in mijn persoonlijke versje aan haar: “Nu is het onmiskenbaar van jou.”

#18102018