Column

De zoveelste misser.
Na de zoveelste grammaticale misser in een versje, zit ik in de tuin mijn gedachten te ordenen wanneer een quote van de Dalai Lama zich opdringt: “Wanneer je met een probleem wordt geconfronteerd, denk dan goed na. Als je het probleem kunt oplossen, los het op en dan heb je geen reden tot zorg. Als je het probleem niet kunt oplossen, maak je dan geen zorgen want je kunt het niet oplossen. Zorgen dienen geen enkel nut.” Een vrije vertaling van zijn visie.
Enkele minuten voor het moment van reflectie tussen de planten, wijst mijn vriend Eric – de man die ik altijd om hulp vraag en soms vergeet om hulp te vragen – mij op het verkeerd spellen van een -d en -t. Het moment dat Eric de moeite neemt om mij erop te wijzen, zak ik wederom door de grond. De avond ervoor had ik hem al een versje laten lezen omdat ik verdwaald raakte in het bos van d’s en t’s. In de afgelopen jaren dat ik dicht is het regelmatig voorgekomen dat ik Eric in paniek app. “Ziet er top uit” was zijn reactie. Het versje wat ik hem had gestuurd bleek grammaticaal te kloppen. Ik vergat hem echter de rest te sturen.
Sinds ik mij kan herinneren vergeet ik letters in woorden, wissel ik woorden met woorden om in mijn hoofd, verwijder ik woorden uit zinnen of zet ik er eentje bij. Ik heb nog nooit een boek gelezen zoals het geschreven is. En hoewel ik al ontelbaar vaak de -dt regels heb gelezen of heb opgezocht hoe ik een woord in een zin moet vervoegen, na het lezen is die kennis direct verloren. Er is geen enkele plek in mijn brein waar ik deze cruciale informatie opsla. Sterker nog, op de basisschool liep ik met de gedachte rond dat ik de letter -d vaak een mooiere afsluiter vind dat de letter -t. De -t geeft een open einde. Terwijl sommige woorden een afsluiter verdienen.
Ondanks het besef dat ik niks aan mijn brein en eigenwijsheid kan veranderen loop ik vast in overtuigingen. Steeds wanneer een lezer een schrijffout benoemt, vind ik het van belang dat ik de grammatica beheers. Zeker wanneer ik geschreven werk de wereld in stuur. Los van de angst die ik bij vrijwel elke versje voel, is schaamte – als blijkt dat ik het mis heb – geen goede vriendin van mij. Ze maakt het mij regelmatig zo ongemakkelijk dat er momenten zijn waarop ik denk: “Ik stop ermee! Ik zet mezelf voor gek.” Tot ik mij realiseer dat die gedachte pas echt een onmogelijke opdracht met zich mee brengt.
Op geen enkel moment wil ik stoppen met schrijven. Ik heb het altijd gedaan en de voorstelling dat ik niet verder ga, is een onmogelijke. Het schrijven van versjes met zo min mogelijk woorden is de perfecte combinatie tussen mijn liefde voor analoge fotografie en woorden. Namelijk het vangen in woorden – in een geschreven polaroid – van wat ik in beelden voor mij zie. De reacties op mijn versjes en de moeite die mensen nemen om mijn versje ergens in hun huis op te hangen, geeft mij zoveel plezier dat ik dat niet wil missen.
Tussen de planten zijn er twee overwegingen op dit relaas van zelfmedelijden:
– Ik stop met zorgen maken want dit probleem kan ik niet oplossen;
– Ik blijf mij zorgen maken terwijl ik het probleem wil oplossen en laat me leiden door angst, paniek en schaamte.
Allicht besluit ik dat de eerste optie de enige keuze is waar ik mee uit de voeten kan. En zoals altijd spant het universum zich in, om na een genomen besluit, de weg vrij te maken om dit besluit na te leven. Want vrijwel direct brengt mijn beste vriendin een nieuw inzicht op de foute grammatica in mijn persoonlijke versje aan haar: “Nu is het onmiskenbaar van jou.”