De pestkoppen mogen mij niet monddood krijgen. En dat krijgen ze wel. Ik ben bang. Bang voor het gevoel wat ik zo goed ken, als ik geïsoleerd dreig te raken. Het gevoel dat ik zelf op zoek omdat het in onveiligheid veiliger voelt. Veiliger dan te vrezen tot een ander mij in het donker plaatst. En mij neerzet als de poepchinees. Het rare kind. Het Aparte kind. Maar zelfs wanneer ik mijzelf apart zet, opzij en in het donker dan nog zoeken mijn tenen licht. Zoals ieder mens verlangt naar zichtbaar zijn. Alleen als angst en verlangen elkaar kruisen en gaan tollen in de geest, vergeet ik waar de lichtknop zit. Gedesoriënteerd in het donker dool ik naar schakelaars en stralen die mij wijzen naar een weg. Als het eindelijk zo ver is dat ik stop met mijn omgeving aftasten en het koortsig vastgrijpen van vlakke stralen om mij heen. Alleen. Apart. Afgezonderd. Angstig. Anders. Alleen. Apart. Afgezonderd. Angstig. Anders. Alleen. Alleen tot. Alleen tot de ontdekking dat wanneer ik in mijzelf blijf wrijven er een vonk ontstaat. Apart tot het ontstoken vuur in mii de omgeving verlicht. Afgezonderd tot mensen in mijn licht gaan staan. Angstig tot ik besef dat zij ook bang was. Anders tot anderen ook uniek mogen zijn.